|
ECOKLUS-RECEPT 4: LEEMOVEN BOUWEN
Het fenomeen tuinhaard. Je ziet het steeds vaker.
Straks, in de nazomer zullen we onze oerdrift om buiten fikkie te stoken
en voedsel te braden niet meer kunnen bedwingen. Maar ja, met een
vuurkorf kun je alleen maar hout opstoken, een barbecue is toch meer
iets voor op de camping en zo’n nette designtuinhaard is toch wat te
burgerlijk (en te duur).
Als zuinigste Belg van Groningen en ouwe geitenwollensok heb ik de
oplossing. Een leemoven!
Leuk om te bouwen met goedkoop heerlijk aards en natuurlijk materiaal.
Kinderen vinden het geweldig om te doen.
De bouw vraagt tijd en rust en ontstrest hierdoor. Het brengt de keuken
naar buiten. Het bakken van brood en pizza wordt zo een echte
natuurbeleving. En ben je hem zat op de ene plek, dan herbouw je hem
gemakkelijk op een ander plek.
De basis
Zoek een goeie vlakke ondergrond. Maak een fundament van oude bakstenen,
zwerfkeien of stoeptegels,
gebroken tegels of dakpannen. Als je op stahoogte wil werken moet je
eerst een sokkel metselen van steen. Zet op het fundament de vorm uit
van de oven. De vorm maakt in principe niet zoveel uit. De halve-eivorm
(ovaal) is wel het gemakkelijkst regenbestendig te maken.
De vloer van de oven gaan we opbouwen door binnen deze vorm de
zogenoemde leembroodjes naast elkaar te leggen. Je legt ze strak en
drukt ze ook wat tegen elkaar aan. Leembroodjes zijn op forse
sneeuwbalgrootte geknede ballen leem. De leem kun je kopen of uit de
grond halen, en als de klei te vet is gebruik je zand om hem aan te
lengen.
Voor de vloer kun je het beste wat losser geknede ballen gebruiken,
zodat, als de vloer uitgelegd is, je ze enigszins kunt afplatten tot een
circa 8 cm dikke laag. Op deze hobbelige laag breng je nu een smeervloer
aan van leem, zodat een strakke leemvloer ontstaat.
De leem wordt smeerbaar door hem aan te lengen met water.
Laat de leemvloer indrogen tot hij hard is. Leem wordt hard door droging
maar weer zacht door water. Dit betekent dat je tijdens de bouw de oven
moet kunnen beschermen tegen (slag)regen. Een soort shelter erover is
het meest ideaal omdat hij dan goed kan drogen.
De hele oven wordt daarna verder opgebouwd met de leembroodjes.
Opbouw
Vanaf de bodem van de oven begin je met het plaatsen van de broodjes in
de vorm van de
oven.
Zorg dat ze met een breed vlak contact met elkaar maken. Gooi ze maar
met een lekker smakje tegen elkaar aan. De leemballen kleven zo op deze
manier sterk aan elkaar, wat zorgt voor de uiteindelijke stevigheid van
de oven. Als je met meerdere mensen bouwt, kun je er ook af en toe één
naar elkaar gooien als begin van een moddergevecht (ontstressen, weet je
nog!). Om de ronding naar boven toe te krijgen leg je de volgende laag
een paar centimeter naar binnen toe. Als je merkt dat het geheel niet
meer stabiel wordt, het geheel eerst wat laten indrogen.
Je bouwt door tot bovenaan de oven dicht is. Als je de koepel van de
oven klaar hebt, snij je achterin op 1/3 van de inwendige hoogte een gat
voor het rookkanaal. Vandaar af bouw je met leembroodjes een ronde pijp
als schoorsteen. De schoorsteen moet hoger zijn dan het dak van de oven
voor voldoende trek.
Plat de schoorsteen aan de bovenkant af zodat er een platte steen als
deksel op kan liggen
Aan de voorzijde maak je op vloerhoogte weer een insnijding waar je een
igloachtige ingang van de over maakt. Zorg ervoor dat de opening groot
genoeg is, zodat er een bakvorm of bakplaat in kan.
Het geheel ga je nu egaliseren en alle gaten dichtstoppen met een
smeerbare leemlaag (prut) van circa 2 cm. Als de oven al sterk is
ingedroogd, maak je de buitenlaag weer nat.
Nu komt het eropaan een voldoende dikke leemlaag op te bouwen die straks
als de oven klaar is de hitte zal opslaan en langzaam aan je bakproduct
zal afgeven.
Tijdens het stoken kan de temperatuur oplopen tot 1.000 graden Celsius.
Is het vuur uit, dan zakt de temperatuur tot circa 300 graden en kan er
gebakken worden.
Die bufferlaag bouw je op
door een aantal leemlagen aan te brengen van kleine broodjes (in een
aantal keren op te brengen en tussentijds laten drogen) waardoor een
dikte van totaal 10 cm bovenop de bestaande koepel ontstaat. Dus beter
meerdere dunne lagen dan in één keer een dikke. Om de hechting tussen de
lagen goed te krijgen wat opruwen met een harde bezem.
Even opstoken
De oven is nu in zijn basis klaar en we gaan hem langzaam opstoken om
hem in te drogen.
Dit moet heel langzaamaan. De warmte gaat zich nu langzaam in de mantel
verspreiden.
Er ontstaan na verloop van tijd barsten en scheuren; die stop je dicht
met leem. Na een paar uur, als de buitenkant wat warm begint te worden,
kun je hem verder opstoken.
Stroleem als isolatielaag
Lang stro plak je met dunne leem (dikte van yoghurt) op de oven. Zorg
ervoor dat dit een luchtige laag wordt. Niet stevig insmeren, maar
losjes erop leggen dus. Over de isolatielaag volgt een laag leem van 2
cm om te egaliseren. Deze eindlaag moet je goed verdichten door met een
spaan polijstende bewegingen te maken. Als de oven goed droog is kan hij
wel een regenbuitje hebben en zal je hem af en toe weer moeten opsmeren.
Wil je dit niet, dan moet je een overkapping bouwen over de oven. Je
kunt de oven ook een regenjas geven door een laag kalkmortel aan te
brengen (zie vorige recepten) of hem in te smeren met verdunde gekookte
lijnolie.
Pizza’s bakken!
Als Piet Paulusma nu even die nazomer regelt, dan gaan wij los. Stook de
oven op. Na een tijdje kun je het vuur naar achteren duwen en voorin
alvast wat dingen bakken die veel hitte nodig hebben (maïskolven,
aardappel in alufolie enzovoort). Als de oven flink op temperatuur is,
duw je alle gloeiende as naar achteren en schuif je de pizza’s erin. De
opening van de oven kun je afdekken met een plaat of stenen. Na 20
minuten zijn ze klaar.
Eet smakelijk!
Dirk van Impe
ECOKLUS-RECEPT 3
Geluidsoverlast is een van de meest voorkomende problemen die het
woonplezier flink kan bederven. Na geluid door verkeer is geluid van
buren de grote boosdoener.
Als de overlast door het verkeer wordt veroorzaakt, kom je al een heel
eind met speciaal dubbelglas dat opgebouwd is uit dikkere glaslagen, in
combinatie met suskasten voor de ventilatieroosters. Maar met de buren
heb je meestal geen ramen. Hoe moet het dan?
Gelukkig bestaan er natuurlijke materialen die het geluid sterk isoleren.
Natuurlijke vezels, bijvoorbeeld houtvezel, cellulose, vlasvezel of
hennepvezel, zijn holle vezels gevormd door
taaie maar flexibele cellen die op hun buurt weer gevuld zijn met
water. Die structuur en de verwevenheid in de plaat of deken zorgen
ervoor dat de geluidsgolf die door het materiaal probeert te gaan veel
weerstand ondervindt en zo zijn energie verliest. Die eigenschap zullen
we benutten om een voorzetwand te maken voor de muur naar de buren.
Wat men vaak ziet is dat er een stijl en regelwerk tegen de wand gezet
wordt met isolatiemateriaal tussen de regels en afgewerkt met gipsplaat.
Dit is de standaardoplossing die het geluid wel vermindert maar nog de
nodige nadelen heeft:
Het regelwerk laat nog steeds geluid door (zeker als het contact
maakt met de muur).
Het regelwerk neemt extra ruimte in de kamer weg.
Het is beter om een houtvezelisolatieplaat (bijvoorbeeld Pavatex) te
gebruiken en deze af te stuken met een kalkmortel. De
houtvezelisolatieplaat bestaat uit resthout dat door middel van een
kookproces lijmvrij gebonden wordt. De lignine die van nature in hout
zit, is het bindmiddel. De verwevenheid van de vezels geeft de plaat de
nodige stevigheid en drukvastheid, waardoor die prima kan dienen als
drager van stucwerk.
Lijmmortel
De plaat wordt tegen de wand gelijmd met dotten lijmmortel. Als de
ondergrond onbetrouwbaar is, bijvoorbeeld heel zanderig of brokkelig,
dan kan de plaat bevestigd worden met holle pluggen. De pluggen moeten
hol zijn om contact met de ondergrond zo minimaal mogelijk te houden. De
platen moeten goed aansluiten met de zijmuren en het plafond en zijn
flexibel genoeg om zet en krimp op te vangen.
Daarna breng je eerst
ongeveer 4 mm kalkmortel aan op de plaat. Als de mortel nog zacht is,
druk je er volvlakkig het
wapeningsnet in en zet je er nog eens circa 2 mm kalkmortel overheen.
Het net zit dan als het ware in de laatste een derde van de stuclaag. De
stuclaag afrijen met de rijlat en na ongeveer een uur, als de mortel wat
aangehard is, gladspanen met spacmes en spaan (zie ecoklus-recepten 1 en
2). Als de laag volledig uitgehard is (één à twee dagen), kan deze
afgewerkt worden met een kalkverf of sausen met een natuurlatex verf (Aquamarijn).
In plaats van kalkmortel kan dit ook heel goed met leemstuc. Hier kom ik
de volgende keer nog op terug.
Nu maar eerst even genieten van de hemelse rust in huis.
ECO-KLUSRECEPT 2: KALKVERF EN JUTE
Een goed binnenmilieu in de woning heeft vooral te maken met een goed
functionerend ventilatiesysteem, maar ook met het vermijden van
ongezonde materialen bij het stofferen en inrichten.
Bij het inrichten van het huis kunnen we ongemerkt veel vluchtige
organische stoffen (VOC) in de woning brengen door synthetische lijmen
en verven. Dit kunnen we vermijden door te werken met zogenoemde
natuurverven die gemaakt zijn van natuurlijke grondstoffen: krijt, (lijn)olie,
harsen en natuurlijke oplosmiddelen (bijvoorbeeld citrusolie). Eén van
mijn favorieten is kalkverf. De samenstelling is eenvoudig en
gemakkelijk zelf te maken.
Kalkverf is een natuurlijke verfsoort die vanwege zijn levendige
effecten en milieuvriendelijkheid altijd populair is geweest. Het is een
mineraal product, dat vervaardigd wordt uit kalk, melkeiwit en water. De
kleur is mat.
Door het toevoegen van het melkeiwit (caseïne) wordt de verf veegvast,
hard en licht watervast en is het niet te vergelijken met het vroegere
witkalken.
De goeie eigenschappen blijven wel bewaard. Kalkverf ontsmet en ontgeurt
en is zeer dampopen.
Het is kant en klaar in gespecialiseerde winkels te koop en meestal met
natuurlijke pigmenten gekleurd, wat de beschikbare kleuren enigszins
limiteert. Met name donkere tinten zijn vanwege de lichte tint van het
bronmateriaal lastig te verkrijgen. Op de kleurwaaier van kalkverf zijn
echter nog steeds meer dan een paar honderd kleuren aanwezig, dus de
kans is groot dat er iets voor jou tussenzit.
Jute
Wil je wat structuur in de decoratie of wil je een slechte muur
enigszins versterken, dan kun je met jute werken. Jute is een
natuurlijke vezel, afkomstig van de Cochorusplant, die groeit in
vochtige warme streken. Om de jute op de muur te lijmen heb je dispersie
vloerbedekkingslijm op basis van natuurlatex nodig (Auro, Leinos,
Greenline). Afhankelijk van
de dikte van de lijm leng je deze aan met een ¼ deel water. De lijm
kwast je dun op de muur en dan druk je de jute er meteen in. Met
aangelengde lijm kwast je de jute glad.
Er bestaat jute van verschillende gaasgrootte zodat je de textuur aan je
wens kan aanpassen.
Na ongeveer 24 uur is de lijm droog en kan het geheel overschilderd
worden met de kalkverf.
Kalkverf zelf maken
Koop een zak van 2 kg witkalk. Neem hiervan 250 gr apart en meng dit met
250 gr magere kwark. Laat dit mengsel ca. 5 minuten reageren tot
zogenaamde caseïnelijm. Het geheel wordt wit-rozig en geleiachtig. Er
ontsnapt een ammoniakachtige geur uit het mengsel. Dit is normaal en
verdwijnt als de verf klaar is. De resterende kalk meng je ondertussen
één op één met water, zodat een smeerbare massa ontstaat. Is het geheel
te dik, voeg dan nog wat water toe. Voeg nu beide mengsels bij elkaar en
roer goed om. De verf is klaar voor gebruik.
De basis is wit. Eventueel op kleur brengen met pigmenten. Pigmenten in
poedervorm eerst bevochtigen met water.
Tijdens het verven oppassen voor spatten in de ogen. Kalk is sterk
basisch en kan de ogen irriteren.
TIP: Mocht de vorige ekoklus (stuken met kalkmortel) volledig uit de
hand gelopen zijn, dan kun je met jute en kalkverf de zaak nog een
beetje rechtbreien.
Veel succes.
Dirk van Impe
RECEPT
Veel producten in de bouwmarkt zijn eigenlijk voor de bouwer of de
klusser, wat een kant-en-klare maaltijd is voor de (thuis)kok. Het ziet
er op het etiket veelbelovend uit, tot je eraan begint. Meestal is de
oorsprong, de finesse of de kennis achter het product verdwenen, en moet
je volledig vertrouwen op de fabrikant (en zijn etiket). In veel
gevallen niets mis mee, maar meestal wil ik toch weten hoe producten
precies werken. Vergelijk het maar met koken. Met eenvoudige
ingrediënten kan je een lekkere maaltijd bereiden. Je moet alleen weten
hoe.
Door de jaren heen, en met veel experimenteren, ben ik bevlogen geraakt
door de kracht van bepaalde natuurlijke basisgrondstoffen en vezels.
Zelf een mengsel maken kost wat meer tijd, maar als het lukt, geeft het
wel een geweldig ‘wow!’-effect. Met deze rubriek wil ik deze ervaring
met jullie delen.
Mortel
Als je een stukje muur wilt stukadoren, kun je in de bouwmarkt allerlei
pleistermortels vinden met de meest exotische namen van ‘power finish’
tot ‘plaster master’ die alle de illusie wekken dat je in één
vloeiende beweging zonder moeite een muurtje ‘even’ glad spaant. Zo'n
pleister maakt je geen vakman, net zo min als Maggi Mix je een
keukenprinses. Buiten het feit dat deze producten toch niet doen wat ze
beloven, zijn ze bovendien schrikbarend duur en bevatten ze veel
onnodige en soms ook ongezonde ingrediënten.
Zelf zweer ik bij een traditionele kalkmortel. De ingrediënten (wit)kalk
en zand zijn niet duur.
Kalk (bouwstof nummer 1 in ons skelet) is een grondstof die mij steeds
weer verbaast hoe veelzijdig en krachtig het is. Het kan gebruikt worden
om te verven (kalkverf), om te ontsmetten (bomen), om verzuring tegen te
gaan (landbouw), om te ontgeuren (kelders) en als bindmiddel in mortels.
Kalkmortels hebben een aantal opvallend gunstige eigenschappen. Ze zijn
elastisch en vervormbaar. Bouwwerken die zijn gemetseld in kalkmortel,
kunnen binnen bepaalde grenzen vervormingen opnemen, zonder dat
zichtbare scheuren ontstaan en de samenhang verloren gaat (wel zo handig
in een aardschokkengebied). Deze eigenschap wordt versterkt door een
andere eigenschap, namelijk het zogenoemde zelfherstellend vermogen. Dit
laatste moet je je zo voorstellen. De kalk in de mortel hardt niet
direct volledig uit. De vrije kalk kan door de jaren heen vrij in de
laag bewegen en zet zich af daar waar een scheur dreigt te ontstaan en
verhardt daar alsnog. Wow!
Ook ten aanzien van vochttransport heeft kalk gunstige eigenschappen.
Dankzij de open-poriestructuur is de waterdampdoorlaatbaarheid groot.
Kant-en-klare pleisters bevatten relatief veel kunststof
bindmiddel, waardoor de laag net als een plastic zak gaat werken. Lekker
dampdicht dus.
En als laatste, niet onbelangrijk, heeft kalk een eenvoudige
levenscyclus. De grondstof kalksteen of schelpen bestaat bijna volledig
uit calciumcarbonaat (CaCO3). Door branding ontstaat
ongebluste kalk (CaO). Door het te blussen met water ontstaat Ca(OH)2).
Na verwerking bindt het zich met het koolzuur (CO2) in de
lucht en heb je weer calciumcarbonaat (kalksteen). Zo is de cirkel rond.
Bij sloop kan je het weer branden tot kalk en herbeginnen. Simpeler kan
het toch niet.
Het recept
|
|
Kalk
|
Zand
|
Cement (wit)
|
Water
|
|
Stucmortel binnen
|
1 deel
|
3 delen
|
|
20%
|
|
Voegmortel buiten
|
1 deel
|
2 delen
|
½ deel
|
15-20 %
|
Opmerking: Buitentoepassingen moeten altijd wat cement bevatten in
verband met uitspoeling van de vrije kalk door slagregens.
Het stuken
Breng de mortel op met de rei. Je beweegt hierbij de rei van beneden
naar boven over de muur om ervoor te zorgen dat de pleisterlaag mooi
vlak wordt. Beweeg de rei ook van links naar rechts.
Vul de gaten die er nog zijn, op met kalkmortel.
Herhaal het afreien totdat de muur egaal bedekt is.
Kalkmortel hardt traag uit. Je hebt daardoor in tegenstelling tot gips
rustig de tijd om te werken.
Laat de mortel uitharden totdat je er net niet meer met je vingers in
kunt drukken. Strijk de muur vervolgens zonder kracht te zetten glad met
een spackmes. Als de mortel niet meer opzij te
drukken is met de vingers en enigszins mat gekleurd is, maak het dan nat
met een blokkwast en schuur het door met een schuurblok. Doorschuren
houdt in dat je ronddraaiende bewegingen maakt op de muur om
oneffenheden en aanzetten weg te werken.
Klaar.
Kalk: 2 kg zak (Knauf), € 4
bij de Fixet.
Zand: ‘lenen’ bij de buurman.
Ik zou zeggen: experimenteer ze.
Dirk van Impe |